zondag 6 november 2022

 


LUCAS 20, 27 - 38

Vraag over de opstanding


     [
27] Nu kwamen er enkele sadduceeën* bij Hem met een vraag. Zij bestrijden dat er een opstanding is. [28]‘Meester,’ zeiden ze, ‘Mozes heeft ons dit voorgeschreven: als een getrouwd man sterft zonder dat hij kinderen heeft, moet zijn broer trouwen met die vrouw en nakomelingen verwekken voor zijn broer. [29] Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde met een vrouw en stierf kinderloos. [30] Ook de tweede [31] en de derde trouwden met haar, en zo alle zeven, maar ze stierven allen zonder kinderen na te laten. [32] Nadien stierf ook de vrouw. [33] Wiens vrouw zal zij nu zijn bij de opstanding? Ze hebben haar toch alle zeven als vrouw gehad.’ [34] Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, [35] maar zij die waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de andere wereld en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. [36] Zij kunnen immers niet meer sterven, want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen van de opstanding zijn het kinderen van God. [37] Dat de doden worden opgewekt, heeft Mozes zelf te verstaan gegeven in het verhaal van de doornstruik, waarin hij de Heer aanduidt als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. [38] Hij is geen God van doden maar van levenden, want voor Hem leven ze allemaal.

 

Suggesties voor schriftlezingen

EEUWIG LEVEN IS VERBONDENHEID MET DE BRON VAN HET LEVEN.

1         2 Mak 7, 1-2.9-14: Sterven als deelgenoot van Gods Verbond

2        1 Joh 1, 1-4: Verbondenheid met de Vader en de Zoon

3        Lc 20, 27-38: Eeuwig Leven is verbondenheid met de Bron van het leven


 

INLEIDENDE NOTITIES

Wat ik in de tekst gelezen heb.

Dat in dit evangelie de vraag naar de werkelijkheid van de opstanding en het eeuwige leven aan de orde komt is niet verwonderlijk zo tegen het einde van het kerkelijke jaar, vlak na Allerheiligen en Allerzielen. Het is herfst, de avonden en nachten worden steeds langer. Meer en meer begint het donker ons te omgeven, en worden we geconfronteerd met onze sterfelijkheid en de eindigheid van ons aardse bestaan. Ik vraag me af met welke bedoeling de sadduceeën het vraagstuk van de zeven kinderloze huwelijken aan Jezus voorleggen. Zij houden zich alleen aan de schriftelijke wet, de vijf boeken van Mozes, en interpreteren deze veelal letterlijk. Dat ze niet in de opstanding geloven, zou dat komen omdat ze deze ook letterlijk opvatten? Dat iemand die opstaat terugkeert uit de dood? Vermoedelijk willen de sadduceeën de draak steken met de opvattingen van Jezus en andere farizeeën over de opstanding en het eeuwig leven. Opvallend vind ik het verschil tussen de zeven broers van wie het huwelijk kinderloos bleef en de zeven broers waarvan sprake is in de eerste lezing op deze zondag van het kerkelijk jaar, uit de 2e brief aan de Makkabeeën. Hierin worden een moeder en haar zeven zonen blootgesteld aan verschrikkelijke martelingen omdat zij weigerden het verboden varkensvlees te eten. De moeder en haar zonen wensten hun geloof in God en het eeuwig leven niet prijs te geven uit angst voor lijfsbehoud. Van de Sadduceeën is bekend dat zij twijfelden aan het nut van een persoonlijke band met God en de persoonlijke zorg van God voor zijn mensen over de dood heen. Blijkbaar geloofden de Sadduceeën alleen maar wat ze konden beredeneren en begrijpen. Maar eeuwig leven is iets heel anders dan onsterfelijkheid: we keren niet terug uit de dood, maar moeten door de nauwe poort van de dood heengaan, samen met Jezus lijden en sterven, om ook deel te krijgen aan zijn verrijzenis, en zo aan het eeuwige leven als kind van God.


 

Wat de tekst bij mij oproept.

Jezus’ opstanding uit de dood is geen wetenschappelijk bewijsbaar feit, maar een geloofservaring. Het is een ervaring van verbondenheid met de Bron van het leven, van een persoonlijke band met God die over de dood heen reikt. Dat de verrijzenis geen historisch feit is, betekent nog niet dat het geen reëel gebeuren is. Er zijn authentieke getuigenissen van mensen wie iets overkomen is dat blijvende sporen in de geschiedenis heeft achtergelaten. Die sporen zijn geen bewijzen maar ingrijpende levenservaringen. Het zijn persoonlijke, subjectieve ervaringen, waarin iets van Gods werkzaamheid in je eigen leven blijkt. Het doet me denken wat ik zelf heb ervaren met Eerste Pinksterdag 1996, nadat mijn moeder de dag ervoor was overleden en ik op die avond van binnenuit kracht van haar ontvangen had. Met Pinksteren ontving ik de kracht van de Geest tijdens het bidden van de Glorievolle Geheimen van de Rozenkrans. Ik heb me bij haar sterven niet verlaten en wanhopig gevoeld, maar het was een zeer vreugdevolle ervaring, omdat ook ik opnieuw tot leven werd gewekt na het sterven aan mezelf in het jaar daarvoor.

 


 

OVERWEGING LUCAS 20, 27-38:

EEUWIG LEVEN IS VERBONDENHEID MET DE BRON VAN HET LEVEN.

Dat in dit evangelie de vraag naar de werkelijkheid van de opstanding en het eeuwige leven aan de orde komt is niet verwonderlijk zo tegen het einde van het kerkelijke jaar, vlak na Allerheiligen en Allerzielen. Het is herfst, de avonden en nachten worden steeds langer. Meer en meer begint het donker ons te omgeven, en worden we geconfronteerd met onze sterfelijkheid en de eindigheid van ons aardse bestaan. Ik vraag me af met welke bedoeling de sadduceeën het vraagstuk van de zeven kinderloze huwelijken aan Jezus voorleggen. Zij houden zich alleen aan de schriftelijke wet, de vijf boeken van Mozes. Dat ze niet in de opstanding geloven, zou dat komen omdat ze deze ook letterlijk opvatten? Dat iemand die opstaat terugkeert uit de dood? Vermoedelijk willen de sadduceeën de draak steken met de opvattingen van Jezus en andere farizeeën over de opstanding en het eeuwig leven. Opvallend vind ik het verschil tussen de zeven broers van wie het huwelijk kinderloos bleef en de zeven broers waarvan sprake is in de eerste lezing op deze zondag van het kerkelijk jaar, uit de 2e brief aan de Makkabeeën. Hierin worden een moeder en haar zeven zonen blootgesteld aan verschrikkelijke martelingen omdat zij weigerden het verboden varkensvlees te eten. De moeder en haar zonen wensten hun geloof in God en het eeuwig leven niet prijs te geven uit angst voor lijfsbehoud. Van de Sadduceeën is bekend dat zij twijfelden aan het nut van een persoonlijke band met God en de persoonlijke zorg van God voor zijn mensen over de dood heen. Blijkbaar geloofden zij alleen maar wat ze konden beredeneren en begrijpen. Maar eeuwig leven is iets heel anders dan onsterfelijkheid: we keren niet terug uit de dood, maar moeten door de nauwe poort van de dood heengaan, samen met Jezus lijden en sterven, om ook deel te krijgen aan zijn verrijzenis, en zo aan het eeuwige leven als kind van God. Jezus’ opstanding uit de dood is geen wetenschappelijk bewijsbaar feit, maar een geloofservaring, een beleving vanuit de diepte van verbondenheid met de Bron van het leven, van een persoonlijke band met God die over de dood heen reikt. Dat de verrijzenis geen historisch feit is, betekent nog niet dat het geen reëel gebeuren is. Er zijn authentieke getuigenissen van mensen wie iets overkomen is dat blijvende sporen in de geschiedenis heeft achtergelaten. Die sporen zijn geen bewijzen maar ingrijpende levenservaringen. Het zijn persoonlijke, subjectieve ervaringen, waarin iets van Gods werkzaamheid in je eigen leven blijkt. Het doet me denken wat ik zelf heb ervaren met Eerste Pinksterdag 1996, nadat mijn moeder de dag ervoor was overleden en ik op die avond van binnenuit kracht van haar ontvangen had. Met Pinksteren ontving ik de kracht van de Geest tijdens het bidden van de Glorievolle Geheimen van de Rozenkrans. Ik heb me bij haar sterven niet wanhopig en verlaten gevoeld, maar het was een zeer vreugdevolle ervaring, omdat ook ik opnieuw tot leven werd gewekt na het sterven aan mezelf in het jaar daarvoor.

 

GEBED

Goede God, Jij die de Bron bent van alle leven, laat ons, in het voetspoor van jouw Zoon Jezus Christus, tot in de eeuwigheid met jou verbonden blijven, tot over de grenzen van de dood heen.