dinsdag 25 april 2017

TITUS BRANDSMA EN DE VRIJHEID



Mei is de maand van twee van onze belangrijkste nationale feestdagen, de Dodenherdenking op 4 mei, en Bevrijdingsdag op 5 mei. De gedachtenis aan Titus Brandsma past heel goed bij deze gebeurtenissen.
Titus Brandsma was immers het symbool van het principiële katholieke verzet tegen de Duitse bezetter, en de strijd voor de katholieke persvrijheid, een strijd die hij met de dood moest bekopen, op 26 juli 1942 in concentratiekamp Dachau. In de Titushof, het plein voor de Titus Brandsma Gedachteniskerk, staat een door kunstenaar Arie Trum vervaardigde pyloon, met aan de buitenkant een collage van afbeeldingen van Titus in zijn werkzame leven, o.a. als rector magnificus van de Katholieke Universiteit van Nijmegen, en als belangenbehartiger en geestelijk adviseur van de Rooms Katholieke Journalisten. Aan de binnenkant zie je een keur van geschriften van de hand van Titus, waaronder zijn in de gevangenis van Scheveningen geschreven tekst over het leven van Teresa van Avila, geschreven in de kantlijn en in de beperkte ruimte tussen de regels van een boek over het leven van Jezus. Deze binnenkant kan men zien als een verwijzing naar de binnenruimte van de cel waarin Titus verbleef, waar hij zich gelukkig voelde, dichtbij zichzelf was in de rust en de stilte van zijn diepste levenskern waar hij de innigheid en de kracht van Gods nabijheid ervoer. Ook in doorgangskamp Amersfoort, waar Titus op Goede Vrijdag over het lijden spreekt, is hij niet in de greep van onbekende blinde machten, maar leeft hij in een vrijheid die overkomt als een gave van God, een vrijheid die niemand hem af kan nemen, zelfs niet in de meest benarde omstandigheden en het aangezicht van de dood.

Wanneer ik een tijd verwijl bij en in dit mooie monument in de Titushof - je kunt er midden in gaan staan, alsof je je in de binnenwereld van Titus verplaatst -, dan besef ik dat er aan vrijheid een uiterlijke en innerlijke kant is. Van de ene kant is er de strijd voor vrijheid van meningsuiting, democratie en mensenrechten, van de andere kant de innerlijke vrijheid die je gegeven wordt in overgave aan God, de grond en bron van ons bestaan, de vrijheid om te zijn wie je ten diepste bent, kind van God, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis.

zaterdag 1 april 2017

Overweging Opwekking van Lazarus



JOHANNES 11, 1 - 45

[1] Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië*, het dorp van Maria en haar zuster, Marta. [2] Maria is de vrouw die de Heer met balsem zalfde en zijn voeten met haar haren afdroogde; de zieke Lazarus was haar broer. [3]De zusters stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, hier is iemand ziek, iemand van wie U houdt.’ [4] Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: ‘Deze* ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de verheerlijking van God, want de Zoon van God moet erdoor verheerlijkt worden.’ [5] Jezus hield veel van Marta, van haar zuster en van Lazarus.
     [
6] Jezus hoorde* dus van zijn ziekte; toch bleef Hij nog twee dagen waar Hij was. [7] Daarna pas zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we gaan weer naar Judea.’ [8] ‘Maar rabbi,’ zeiden de leerlingen, ‘onlangs nog probeerden de Joden U te stenigen, wilt U er nu alweer heen?’ [9] Jezus antwoordde: ‘Een dag duurt toch twaalf uren? Zolang* het dag is kan men zijn weg gaan zonder te struikelen, omdat men het licht van deze wereld ziet. [10] Maar als men ’s nachts zijn weg gaat zal men struikelen, omdat men dan het licht moet missen.’
     [
11] Na deze woorden deelde Hij hun mee: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga erheen om hem wakker te maken.’ [12] De leerlingen merkten op: ‘Als hij slaapt, Heer, dan komt hij er weer bovenop*.’ [13] Jezus had echter over zijn dood gesproken, terwijl zij dachten dat Hij de gewone slaap bedoelde. [14] Daarom zei Jezus ronduit: ‘Lazarus is gestorven. [15] Toch ben Ik blij voor jullie, met het oog op jullie geloof, dat Ik niet ter plaatse was. Maar kom, laten we er nu heen gaan.’ [16] Toen zei Tomas*, ook Didymus genaamd, tegen zijn medeleerlingen: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met Hem sterven.’

Jezus en Marta
     [
17] Bij de aankomst van Jezus bleek Lazarus al vier dagen in het graf te liggen. [18] Nu lag Betanië dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. [19] Heel wat Joden waren dan ook naar Marta en Maria toe gekomen om hun medeleven te betuigen met het verlies van hun broer. [20] Marta, die gehoord had dat Jezus op komst was, was Hem tegemoet gegaan; Maria was thuisgebleven. [21] Marta zei tegen Jezus: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn. [22] Maar ik weet zeker dat U ook nu nog alles aan God kunt vragen en dat Hij het U zal geven.’ [23] ‘Je broer zal opstaan’, verzekerde Jezus haar. [24] ‘Dat* weet ik,’ zei Marta, ‘hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.’ [25] ‘Ik ben de opstanding en het leven’, zei Jezus. ‘Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven; [26] en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?’ [27] ‘Ja Heer,’ antwoordde Marta, ‘ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God, degene* die in de wereld komen zou.’

Jezus en Maria
     [
28] Na deze woorden ging ze haar zuster Maria roepen. ‘De meester is er’, fluisterde ze haar toe. ‘Hij laat je roepen.’ [29] Zodra ze het hoorde, ging ze op weg, naar Hem toe. [30] Jezus was namelijk nog niet in het dorp, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. [31] De Joden die bij Maria in huis waren om hun medeleven te betuigen, zagen haar het huis uit snellen en gingen haar achterna, in de veronderstelling dat ze bij het graf wilde gaan treuren.
     [
32] Toen Maria de plaats bereikt had waar Jezus zich bevond, wierp ze zich, zodra ze Hem zag, voor Hem neer en zei: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.’ [33] Toen Jezus zag hoe ze weeklaagde en hoe ook de Joden die haar vergezelden weeklaagden, ontstak Hij in toorn* en wond zich op. [34] ‘Waar hebt u hem neergelegd?’ vroeg Hij. ‘Komt u maar kijken, Heer’, zeiden ze. [35] Jezus begon te huilen, [36] zodat de Joden zeiden: ‘Hij moet wel veel van hem gehouden hebben!’ [37] Maar sommigen merkten op: ‘Had Hij dan niet kunnen zorgen dat hij niet doodging? Hij heeft toch ook de ogen van de blinde geopend?’

Lazarus weer tot leven gewekt
     [
38] Opnieuw in toorn ontstoken, ging Jezus naar het graf. Het was een grot, die met een steen was afgesloten. [39]‘Neem die steen weg’, beval Hij. Marta, de zuster van de gestorvene, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ [40] Jezus antwoordde: ‘Heb* Ik je niet gezegd dat je de heerlijkheid van God zult zien als je maar gelooft?’ [41]Toen nam men de steen weg. Jezus sloeg de ogen op en bad: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij aanhoord hebt. [42] Voor Mij stond het vast dat U Mij altijd aanhoort, maar Ik spreek zo met het oog op al die mensen hier, opdat ze mogen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ [43] Na dit gebed riep Hij met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ [44] En* de dode kwam naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels en zijn gezicht in een doek gewikkeld. ‘Maak hem los,’ beval Jezus, ‘en laat hem gaan.’

Complot tegen Jezus
     [
45] Van de Joden die naar Maria toe waren gegaan en gezien hadden wat Hij gedaan had, gingen velen in Hem geloven. 

Suggesties voor schriftlezingen
Dag van de Heer, Weg ten Leven
1. Js 2, 11-17: Een dag van de Heer     
2. Apk 1, 9-18: Ik raakte in geestvervoering op de dag van de Heer
3. Joh 11, 1-45: Dag van de Heer, Weg ten Leven.

INLEIDENDE NOTITIES
Wat ik in de tekst gelezen heb.
Jezus verneemt dat Lazarus, broer van Maria en Marta ziek is en dreigt te sterven. Hij gaat niet meteen naar Betanië, maar wacht twee dagen, in de wetenschap dat Lazarus inmiddels overleden is. Als hij in Betanië aankomt ligt Lazarus al vier dagen in het graf. Het valt me op dat Martha hem meteen tegemoet komt, erop vertrouwt dat Lazarus zal opstaan, omdat zij gelooft dat Jezus de opstanding en het leven is. Maria blijft in eerste instantie thuis en reageert veel emotioneler op de dood van Lazarus. Jezus laat zich raken door haar verdriet en gaat vervolgens naar het graf, waar hij na een gebed tot de Vader Lazarus uit de dood opwekt. Kan de opwekking van Lazarus gezien worden als een voorafbeelding van de verrijzenis van Jezus? Ik zie toch grote verschillen: het komt me voor dat Lazarus eerder uit de dood wordt teruggehaald, dan dat hij door de nauwe poort van de dood heengaat, het eeuwige leven tegemoet. De opwekking van Lazarus wordt niet zozeer vermeld als demonstratie van de wondermacht van Jezus. maar om ons duidelijk te maken dat Jezus’ optreden zijn betekenis geheel ontleent aan het gezonden zijn door de Vader, om degenen die in hem geloven te laten delen in zijn leven, sterven, en verrijzen. In dit licht begrijp ik dan ook de opmerking van Jezus in vers 9 dat men, zolang het dag is, zijn weg kan gaan zonder te struikelen, omdat men het licht van de wereld ziet. Is Jezus immers niet het Licht van de wereld, dat ons naar het eeuwige leven leidt, op de immer durende dag van de Heer?
Wat de tekst bij mij oproept.
Ik herinner mij dat ik een aantal jaren geleden in het Bijbels Openluchtmuseum getuige was van de opwekking van Lazarus, zoals die uitgebeeld werd door acteurs, als voorproefje van de Passiespelen, die dat jaar in Tegelen zouden plaatsvinden. Ik was zeer geroerd, het raakte aan wat ik meer dan twintig jaar geleden zelf heb doorgemaakt tijdens de heftigste crisis in mijn leven, toen ik intensief betrokken was bij het sterfbed van mijn moeder tussen Hemelvaartsdag en Pinksterzaterdag, en na haar overlijden met Pinksteren mijn eigen ‘opstandingservaring’ had. De opwekking van Lazarus betekent voor mij dan ook meer dan een voorproefje van de verrijzenis van Jezus. Het doet me beseffen dat Jezus door de dood is heengegaan en verrezen omwille van óns, gelovige mensenkinderen waar God van houdt, opdat wij er zélf deel aan zullen hebben.





OVERWEGING
Dag van de Heer, Weg ten Leven.
Tijdens zijn verblijf bij de plaats aan de overkant van de Jordaan waar Johannes gedoopt had, verneemt Jezus dat Lazarus, broer van Maria en Marta ziek is en dreigt te sterven. Hij gaat niet meteen naar Betanië, maar wacht twee dagen, in de wetenschap dat Lazarus inmiddels overleden is. Als hij in Betanië aankomt ligt Lazarus al vier dagen in het graf. Het valt me op dat Martha hem meteen tegemoet komt, erop vertrouwt dat Lazarus zal opstaan, omdat zij gelooft dat Jezus de opstanding en het leven is. Martha staat voor de actieve levenshouding, is praktisch, taakgericht.  Maria blijft in eerste instantie thuis en reageert veel emotioneler op de dood van Lazarus. Zij is contemplatiever, meer ingesteld op relaties. Jezus laat zich raken door het verdriet van Maria en gaat vervolgens naar het graf, waar hij na een gebed tot zijn Vader Lazarus uit de dood opwekt. De opwekking van Lazarus kan gezien worden als een voorafbeelding van de verrijzenis van Jezus, maar ik zie ook grote verschillen. Het komt me voor dat Lazarus eerder uit de dood wordt teruggehaald, dan dat hij door de nauwe poort van de dood heengaat, het eeuwige leven binnengaat. Op de eerste plaats wordt Lazarus pas na vier dagen uit de dood opgewerkt, terwijl de verrijzenis van Jezus op de derde dag plaatsvindt. Vier symboliseert het aardse, drie het hemelse. Als Lazarus naar buiten komt, zijn zijn voeten en handen gebonden met zwachtels en zijn gezicht in een doek gewikkeld. Het lichaam van Jezus bevindt zich daarentegen niet meer in het graf, de doek die zijn hoofd had bedekt ligt niet bij de andere doeken, maar is opgerold, en ligt helemaal apart. Bij Lazarus zie ik de gebondenheid aan het aardse die er nog is; bij Jezus spreekt het lege graf juist van een bevrijding van het aardse.
De opwekking van Lazarus wordt niet zozeer vermeld als demonstratie van de wondermacht van Jezus, maar wil ons duidelijk maken dat het optreden van Jezus zijn betekenis geheel ontleent aan het gezonden zijn door de Vader, om degenen die in hem geloven te laten delen in zijn leven, sterven, en verrijzen. In dit licht begrijp ik dan ook de opmerking van Jezus in vers 9 dat men, zolang het dag is, zijn weg kan gaan zonder te struikelen, omdat men het licht van de wereld ziet. De tijd tussen het opgaan en ondergaan van de zon is die van Jezus aanwezigheid bij zijn volgelingen. Hier is de wil van de Vader bepalend, niet de menselijke omstandigheden. Bij de genezing van een blindgeborene (Joh. 9, 4-5) zegt Jezus dat we de daden van de Vader moeten verrichten zolang het dag is, want ’s nachts kan men niet werken. Het is Jezus zélf die het Licht van de wereld is. Hij is de zon die over ons is opgegaan. Vervuld van zijn Geest, worden wij opnieuw geboren. Hij is de Bron, en wij worden de dragers van het Levende Water. Met de geboorte en verrijzenis van Jezus Christus 2000 jaar geleden, begint de Dag van de Heer. Ik stel me zo voor dat we in Hem ontwaakten, toen het zes uur in de ochtend was. Nu is het acht uur, en kunnen wij in navolging van Christus de werken Gods gaan verrichten. Hij leidt ons door de tijd heen, en doet ons na een werkzaam en vruchtbaar leven het eeuwige leven binnengaan.
Ik herinner mij dat ik een aantal jaren geleden in het Bijbels Openluchtmuseum getuige was van de opwekking van Lazarus, zoals die uitgebeeld werd door acteurs, als voorproefje van de Passiespelen, die dat jaar in Tegelen zouden plaatsvinden. Ik was zeer geroerd, het raakte aan wat ik meer dan twintig jaar geleden zelf heb doorgemaakt tijdens de heftigste crisis in mijn leven, toen ik intensief betrokken was bij het sterfbed van mijn moeder tussen Hemelvaartsdag en Pinksterzaterdag, en na haar overlijden met Pinksteren mijn eigen ‘opstandingservaring’ had. Ik moet ook denken aan een Paaswake die ik met vrienden bijwoonde in het klooster van de Clarissen in Megen, waarin de Passionist Herman Andriessen voorging. De viering begon vier uur ’s morgens en eindigde om zes uur, bij het opgaan van de zon. Daarna gingen we wandelen langs de Maas. Het was voor ons een zeer bijzondere beleving van de opstanding van Jezus Christus.
De opwekking van Lazarus betekent voor mij dan ook meer dan een voorproefje van de verrijzenis van Jezus. Het doet me in dankbaarheid beseffen dat Jezus door de dood is heengegaan en verrezen omwille van óns, opdat wij er zelf aan deel aan hebben.

GEBED
Jij die ons door de tijd heen leidt, dat wij in jouw Geest de werken Gods mogen verrichten, dat wij mogen delen in Zijn eeuwige leven.